Overzicht HH  m Vertel verderm Gastenboekm Contact

        De website met meer dan 432 beeldmeditaties        

WelkomVasten '14KalenderOude testamentNieuwe testamentHeiligenKerkenAnders...SJ-links
Jezus' Nederdaling ter Helle (1200)Verwijzingen

Klik op de pijl om de meditatie te beluisteren...  ...speel bestand af...

afb 

Volgens de overlevering zou Jezus aan de binnenkant van de dood hetzelfde hebben gedaan als aan deze kant: mensen redden. Hij zou naar de onderwereld (‘hel’) zijn afgedaald, waar van oudsher de doden werden verzameld en ondergebracht, in de macht van de dood. Dit gegeven maakt deel uit van onze geloofsschat en is in de geloofsbelijdenis terecht gekomen: ‘… die nedergedaald is ter helle…’ Het verhaal zelf vinden we in het zogeheten Apocriefe evangelie van Nicodemus (3e à 4e eeuw): Dan klinkt van buiten opeens: “Eeuwige poorten, ga open, zodat de koning der Ere kan binnengaan.” Het Dodenrijk riep: “Maar wie is de koning der Ere?” Van buiten zongen de engelen: “De Heer, sterk en machtig; de Heer, kundig in de strijd.” Op hetzelfde moment donderden de ijzeren poorten van het Dodenrijk in elkaar. De Koning trad binnen, greep de Satan bij zijn hoofd en gaf hem over aan zijn engelen om hem op te sluiten tot aan het einde der tijden.

Toen stak de Koning zijn rechterhand uit, pakte vader Adam bij de pols en zette hem overeind. Daarop wendde hij zich tot de anderen met de woorden: “Kom hier bij mij, allen die sterven moesten door het hout waar hij van nam. Want zie: ik wek jullie allemaal weer op door het hout van het kruis.” Vandaar gingen zij naar het Paradijs. Daar aangekomen troffen zij twee oude mannen. Dat waren Henoch en Elia de Thisbiet, van hen staat niet geschreven dat zij gestorven zijn, maar door God waren opgenomen. Op datzelfde moment kwam de goede moordenaar aan met zijn kruis op de rug: tot hem had Jezus immers gezegd: “Heden nog zult gij met mij zijn in het paradijs.” Een glimp ervan horen we bij Matteus: De graven gingen open en de lichamen van vele heilige mensen die ontslapen waren, stonden op (27,52).

Kijken we nu naar de afbeelding, dan zien we dat de kunstenaar zijn vlak in twee helften heeft verdeeld. Links: de verrezen Jezus, herkenbaar aan zijn kruisnimbus, omgeven door een gouden mandala, die zijn verheerlijking aangeeft. In de linkerhand houdt Hij een staf of scepter die uitloopt in een kruis; daaraan hangt een vaan waar ook een kruis op te zien is. De mandala wordt van boven vastgehouden door vier engelen. Het waren immers engelen die het lied zongen dat het dodenrijk zijn poorten moest openen voor de koning der glorie! Het kunnen de ons bekende aartsengelen zijn: Michaël, Gabriël, Rafaël en Uriël. Wellicht verwijst hun getal ook naar de vier windstreken of de vier hoeken van de wereld om te benadrukken dat Jezus Christus koning is over heel de schepping. Rechts: de hel, hier niet – zoals vaak – afgebeeld als monster met wijdopen gesperde muil, maar als een paleis waar de vlammen uit slaan. Het is tot de nok toe gevuld met mensen. Op de voorgrond de deur die wordt vertrapt, niet door Christus, maar door de eerste doden die bevrijd worden. Het kwaad, voorgesteld als duivels monstertje, is overwonnen en staat machteloos vastgebonden aan een paal. Het moet lijdzaam toezien hoe zijn onderdanen aan zijn macht worden onttrokken, en bevrijd overgaan naar het hemels domein van koning Christus. We herinneren ons hoe Jezus hierover sprak, toen Hij ervan beschuldigd werd duivels uit te drijven door Beëlzebul: “Niemand kan binnendringen in het huis van een sterke om zijn huisraad te roven, als hij niet eerst die sterke heeft gebonden. Dan pas kan hij zijn huis leeghalen” (Markus 03,27).

Waar vroeger een diepe kloof gaapte tussen leven en dood, weet Jezus een verbinding tot stand te brengen. Hij grijpt Adam (met witte baard, want hij is de alleroudste dode) bij de rechterhand. Achter Adam zien we hoe Eva haar arm naar Jezus uitstrekt in een soort smeekhouding. Ook de drie jongetjes op de voorgrond (Abel, Kaïn en Seth?) die de poort van de hel vertrappen, steken gretig hun handen naar Jezus uit, evenals één van de drie kopjes boven de poort. Zo maak ik blijkbaar een begin met de verlossing: door er naar uit te kijken en er mijn hand verlangend naar uit te strekken. Ik keer mij in tot mijzelf en vraag mij af waar ik vastgehouden word door kwaad of ‘dood’, waar ik van verlost wil worden; en op welke manier ik mijn verlangen daarnaar tot uitdrukking breng en vorm geef.

[Begin 13e eeuw, boekverluchting; Duitsland, Freiburg im Breisgau., Universitätsbibliothek; Dries van den Akker s.j. / 2009.01.26]

Verwijzingen
Matteus 27,52-53
Jaar A Palmzondag


Wilt u meer weten over de vraag waar de voorstelling van de Nederdaling ter Helle vandaan komt, en hoe ze in de Geloofsbelijdenis terecht is gekomen, lees dan verder.

Jezus nederdaling ter helle

In de geloofsbelijdenis worden over Jezus de belangrijkste geloofswaarheden opgesomd. Tussen zijn lijden, dood en begrafenis enerzijds en zijn opstanding uit de doden anderzijds, staat dat raadselachtige zinnetje: ‘… die nedergedaald is ter helle.’ Die zin staat niet in de geloofsbelijdenis, opgesteld op het Eerste Oecumenische Concilie in 325 te Nicea. Een concilie is een bisschoppenvergadering. Het draagt de naam ‘oecumenisch’ als de bisschoppen van over de hele wereld vertegenwoordigd zijn. Op het tweede Oecumenische Concilie, Constantinopel 381, werd de Geloofsbelijdenis van Nicea bekrachtigd en uitgebreid met enkele regels. Maar ook daar staat de nederdaling ter helle nog niet in. Het is onduidelijk sinds wanneer het er wel in staat. Feit is dat het deel uitmaakt van het symbolum (samenvatting van het geloof) zoals protestanten en katholieken die tegenwoordig aanhangen.

De gedachte die ermee tot uitdrukking wordt gebracht gaat terug op kerkvaders uit de eerste eeuwen, zoals Ireneus en Origenes. Jezus zou aan de binnenkant van de dood hetzelfde hebben gedaan als aan deze kant: mensen redden. Hij zou naar de onderwereld (‘hel’) zijn afgedaald, waar van oudsher de doden werden verzameld en ondergebracht, in de macht van de dood. Voor de bijbelse achtergrond verwijst men naar Matteus 12,40: ‘Want zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van een grote vis zat, zo zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten in het binnenste van de aarde verblijven. Daarnaast Handelingen 02,24: ‘… de dood kon zijn macht over Hem niet behouden’; en vooral 1 Petrus 03,18-19 ‘Naar het lichaam werd Hij gedood, maar naar de geest ten leven gewekt. Hij is naar de geesten gegaan die gevangen zaten om dit alles te verkondigen.’

We vinden het in verhaalvorm in het zogeheten Apocriefe evangelie van Nicodemus (3e à 4e eeuw): Dan klinkt van buiten opeens: “Eeuwige poorten, ga open, zodat de koning der Ere kan binnengaan.” Het Dodenrijk riep: “Maar wie is de koning der Ere?” Van buiten zongen de engelen: “De Heer, sterk en machtig; de Heer, kundig in de strijd.” Op hetzelfde moment donderden de ijzeren poorten van het Dodenrijk in elkaar. De Koning trad binnen, greep de Satan bij zijn hoofd en gaf hem over aan zijn engelen om hem op te sluiten tot aan het einde der tijden.

Toen stak de Koning zijn rechterhand uit, pakte vader Adam bij de pols en zette hem overeind. Daarop wendde hij zich tot de anderen met de woorden: “Kom hier bij mij, allen die sterven moesten door het hout waar hij van nam. Want zie: ik wek jullie allemaal weer op door het hout van het kruis.” Vandaar gingen zij naar het Paradijs. Daar aangekomen troffen zij twee oude mannen. Dat waren Henoch en Elia de Thisbiet, van hen staat niet geschreven dat zij gestorven zijn, maar door God waren opgenomen. Op datzelfde moment kwam de goede moordenaar aan met zijn kruis op de rug: tot hem had Jezus immers gezegd: “Heden nog zult gij met mij zijn in het paradijs.” Een glimp ervan horen we bij Matteus: De graven gingen open en de lichamen van vele heilige mensen die ontslapen waren, stonden op (27,52).

In de middeleeuwen beeldde men dit geheim graag af. De kunstenaars van het christelijke westen beelden de onderwereld (‘hel’) liefst af als de muil van een monster. Christus neemt de eerste dode, Adam, bij de hand en haalt hem naar zich toe. Achter hem volgen Eva en vele anderen. In de Oosterse kerken is het zelfs de Opstandingsafbeelding bij uitstek geworden, tot op de dag van vandaag. Daar zien we Christus staan op de ingestorte deuren van de onderwereld. Ook daar haalt hij Adam en Eva, en in hun kielzog de doden achter hen, naar zich toe. Aan Christus’ kant zien we Henoch en Elia, vaak met een kroon op het hoofd; op vele afbeeldingen staat ook Johannes de Doper bij hen. In termen van onze gedenkdagen zou je kunnen zeggen dat Christus het mysterie van Allerzielen ( de gedachtenis van de overledenen) omvormt tot Allerheiligen (het feest dat God de overledenen bij zich opneemt in de hemel).

Dries van den Akker s.j.

© A. van den Akker s.j.
Deze pagina is het laatst gewijzigd op 31 mrt 2011

Over beeldmeditaties Voorbereiding op een meditatie Inrichting website Leeswijzer Verantwoording
Bezoek ook eens www.heiligen.net. Interessant!